Meteen naar de inhoud
Home » Blogs » De kracht van een beetje bijgeloof

De kracht van een beetje bijgeloof

We waren in de auto op weg naar het vaccinatiecentrum voor zijn eerste prik. Terwijl ik rijd, zit mijn opa ontspannen vanuit het zijraam naar het polderlandschap te kijken. Zo te zien hebben mijn vader en ik onze angst voor naalden niet van hém geërfd.

Opeens wordt hij gebeld. Het is mijn oma. ‘Goed afstand houden en vergeet niet heet water te drinken zo meteen!’, hoor ik vanuit opa’s telefoon komen. Het gesprek duurt niet lang en al snel hangt ze weer op.

Ik vond het al opmerkelijk dat opa zijn thermosfles had meegenomen voor het – in mijn ogen – korte ritje. Alhoewel, toen hij een paar jaar geleden met ons gezin op vakantie was, had hij ook zijn eigen bammetjes mee. Voor de zekerheid vraag ik aan hem wat ik zojuist heb gehoord.

‘Oh, dat is goed voor de bloedsomloop’, zegt hij alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ik ga er maar van uit dat het idee is dat je lichaam het vaccin beter opneemt.

Hoofdschuddend en lachend in mijzelf neem ik de laatste bocht en rijd het parkeerterrein op.


Van huis uit ben ik niet gelovig opgevoed, maar het bijgeloof is alom aanwezig in mijn familie. Het kan hem in de kleinste dingen zitten. Zo probeert mijn vader bij het bezemen in de tuin altijd de takjes en blaadjes naar zich toé te vegen, en niet van zich af. Net zoals je geluk naar je toe moet “harken”, heeft hij wel eens gezegd.

Mensen moeten altijd lachen als ik dit soort anekdotes vertel, maar sinds ik het boek Master Your Mindset van Michael Pilarczyk heb gelezen, ben ik iets minder sceptisch geworden over het nut van bijgeloof. Heel kort gezegd, kun je volgens de auteur door je denkwijze positief te veranderen al jouw diepste wensen verwerkelijken.

Een fijne gedachte, maar aan de andere kant ken ik ook menig bijgeloof dat juist met ongeluk te maken heeft. Een bekend voorbeeld is naar mijn weten tetrafobie: de angst voor het getal vier. Dit klinkt namelijk in verschillende Oost-Aziatische talen, waaronder Chinees, maar ook Japans en Koreaans net zoals het woord voor “dood” (‘si’ of ‘shi’). 

Tetrafobie zit bij sommige Aziaten echter zo diepgeworteld dat het een self-fulfilling prophecy wordt. Zo heeft het British Medical Journal ooit sterfgevallen tussen 1973 en 1998 in de V.S. onderzocht. Bij mensen van Aziatische komaf bleek dat op de vierde dag van de maand 13% meer van hen stierven aan chronische hartfalen dan op de andere dagen.

Dit was ongeacht het dieet, alcoholgebruik, hoeveelheid beweging of medicatie van de overledenen. De conclusie van de onderzoekers was dus dat de toename in hartfalen kwam door psychologische stress. 

Of dit statistisch gezien ook klopt, laat ik voor het gemak even in het midden, maar ik kan me goed voorstellen dat ook de manier waarop je naar het negatieve kijkt, je fysieke gezondheid kan beïnvloeden.

Ik denk dat ik toch maar eens mijn opa ga vragen of hij al bekend is met het idee van een klavertjevier.