Meteen naar de inhoud
Home » Blogs » Heb je al gegeten?

Heb je al gegeten?

‘Chī wo ba?’, of in het Mandarijn: ‘Chī le ma’ (吃了吗), is meestal het eerste dat ik hoor als ik thuiskom bij mijn ouders. Het betekent letterlijk ‘Heb je al gegeten?’, maar wordt over het algemeen eigenlijk gebruikt als synoniem voor: ‘Hoe gaat het met je?’ of ‘Alles goed?’

Meestal was mijn vader degene die me zo begroette als ik ’s middags aankwam bij het restaurant. Na schooltijd en in het weekend ging ik namelijk altijd erheen om huiswerk te maken of te leren voor toetsen. 

Hij bedoelde het echter ook letterlijk. Wanneer ik antwoorde met iets in de zin van: ‘Nee, nog niet’, ging hij meteen in de keuken aan de slag om iets op tafel te toveren. Tenminste, als er nog weinig gasten waren natuurlijk.

Zijn specialiteiten waren onder andere mihoen en gebakken rijst, maar als ik geluk had, kreeg ik soms een lekkere vers gerolde loempia. Eentje met een goudbruine knapperige korst en nét genoeg taugé, ei en kip waardoor het gefrituurde geheel niet te vettig smaakt, maar wel de knapperigheid behouden blijft. Oftewel: precies de juiste verhouding van vel en vulling. Na een saaie schooldag, maakte dat mijn dag weer goed en had ik weer genoeg energie om aan mijn schoolwerk te zitten.

Aangezien ik veel aanwezig was op de zaak, kreeg ik ook vaak de opmerking van gasten dat ik sprekend op mijn vader leek. Het kwam ook wel eens voor dat dat mensen me vonden lijken op mijn moeder, maar dat hoorde ik toch een stuk minder vaak, wat ik altijd wel opmerkelijk vond. 

Qua karakter vind ik mezelf namelijk het meest op haar lijken. Over het algemeen zijn we allebei vrij rustige personen. Net als mijn moeder kan ik prima de hele dag mezelf thuis bezighouden met van alles en nog wat. Schoonmaken, spullen sorteren, lezen, noem maar op. Mijn vader is daarentegen minder voorspelbaar en zit niet graag stil.

Waarschijnlijk kijken andere mensen meer naar ons uiterlijk. Ik heb inderdaad meer het gezicht van mijn vader, dus ik kan mij wel voorstellen dat ik op een jongere, dunnere versie van hem lijk. Alleen mijn haarlijn, wenkbrauwen en ogen heb ik van mijn moeder.

Op één vlak zijn mijn moeder en ik echter compleet verschillend, en dat is mijn liefde voor koken. Zelf kan ik uren in de keuken staan, recepten zoeken en kookvideo’s kijken. (Zie ook mijn eerdere blog: ‘Gewoon wat een Aziaat ’s avonds eet’.) Mijn moeder kan daarentegen – naar eigen zeggen – helemaal niets koken behalve water en eieren, aangezien zij altijd iemand heeft gehad die dat vóór haar deed. Zo kookte mijn opa vroeger voor zijn gezin, net als mijn vader nu ook doet. 

Sinds ik en mijn zusje zijn gaan studeren en alleen met z’n tweetjes wonen, ben ík echter degene die meestal kookt. Misschien heb ik dan toch wel iets van mijn vader geërfd. Helaas, eet ik ’s middags niet meer zo luxueus als thuis. Behalve een ouderwetse boterham, blijft vaak het hooguit bij een tosti of restjes van het avondeten.

Gelukkig ben ik sinds enkele maanden werkstudent bij een groot belastingadvieskantoor en mag ik twee keer per week fysiek naar kantoor. Daar kunnen we ook warm lunchen en neem maar van mij aan, het aanbod is niet verkeerd. Afgelopen week stond er zelfs loempia op het menu! Hij was knapperig en gevuld met genoeg taugé, ei en kip, maar er ontbrak alleen nog één essentieel ingrediënt: een vleugje van mijn vader.